Algemene Verordening Gegevensbescherming

Geldt een minimumdrempel voor ‘immateriële schade’ in de zin van de AVG?

Op 14 december deed het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak in een zaak waarin de vraag centraal stond hoe het begrip ‘immateriële schade’ in de zin van artikel 82 lid 1 AVG moet worden uitgelegd en of hiervoor een minimumdrempel mag worden gehanteerd. In deze blog wordt deze uitspraak besproken.

De casus

Op 19 juni 2020 heeft de gemeente Ummendorf (Duitsland) zonder toestemming van verzoekers een agenda voor een gemeenteraadsvergadering op internet bekendgemaakt. In deze agenda, waarin ook een uitspraak van de bestuursrechter in eerste aanleg was opgenomen, waren de namen en woonadressen van verzoekers vermeld. De documenten zijn tot 22 juni 2020 toegankelijk geweest op de homepage van de website van de gemeente. Verzoekers hebben de gemeente op grond van art. 82 lid 1 AVG om vergoeding van hun immateriële schade verzocht. De gemeente is echter van mening dat voor vergoeding van immateriële schade op grond van dit artikel moet worden aangetoond dat sprake is van merkbaar nadeel en van een objectief denkbare aantasting van persoonlijke belangen. De verwijzende rechter, de rechter in tweede aanleg, is van oordeel dat de gemeente artikel 5, lid 1, onder a AVG heeft geschonden, maar vraagt zich af of verzoekers immateriële schade hebben geleden in de zin van de AVG. Volgens hem moet er een minimumdrempel worden overschreden. De verwijzende rechter stelt een prejudiciële vraag over hoe het begrip ‘immateriële schade’ in de zin van de AVG moet worden uitgelegd.

Oordeel Hof van Justitie

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of art. 82 lid 1 AVG zo moet worden uitgelegd dat het zich er tegen verzet dat een nationale rechter een minimumdrempel vaststelt om van immateriële schade te kunnen spreken. Het begrip ‘immateriële schade’ moet autonoom en uniform worden gedefinieerd binnen het Unierecht. Daarom verzet deze bepaling zich tegen een nationale regel of praktijk op grond waarvan immateriële schade slechts kan worden vergoed als de schade een bepaalde ernst heeft. Nationale rechters mogen dus geen aanvullende voorwaarden stellen aan het begrip ‘immateriële schade’. Deze uitleg wordt gestaafd door overweging 146, derde zin AVG, waarin staat vermeld dat het begrip ‘schade’ ruim moet worden uitgelegd. Bovendien is een dergelijke uitleg in overeenstemming met een van de doelstellingen van de AVG, om een coherent en hoog niveau van bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens binnen de Unie te waarborgen. Het voorgaande laat onverlet dat verzoekers moeten aantonen dat zij schade hebben geleden als gevolg van de inbreuk.

Wat betekent deze uitspraak voor de praktijk?

Deze uitspraak bevestigt de lijn van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van het begrip ‘immateriële’ schade in de zin van art. 82 lid 1 AVG. Om aanspraak te kunnen maken op vergoeding van (immateriële) schade in de zin van de AVG moet voldaan zijn aan drie cumulatieve vereisten: (I) er moet sprake zijn van een inbreuk op de AVG, (II) er moet sprake zijn van (immateriële) schade en (III) er moet causaal verband bestaan tussen de inbreuk en die schade. De verwijzende rechter is van oordeel dat het enkele verlies van controle over persoonsgegevens niet volstaat om te kunnen spreken van immateriële schade. Volgens hem moet een minimumdrempel worden overschreden en dat is niet het geval wanneer iemand de zeggenschap over zijn gegevens slechts voor korte tijd heeft verloren, zonder dat dit een merkbaar nadeel heeft veroorzaakt en zonder dat er een objectief denkbare aantasting van persoonlijke belangen is aangetoond. Een nationale rechter mag echter geen aanvullende voorwaarden stellen aan het begrip ‘immateriële schade’ en dus ook geen minimumdrempel hanteren. Dit laat onverlet dat verzoekers zullen moeten aantonen dat zij – hoe miniem ook – immateriële schade hebben geleden als gevolg van de inbreuk.